|
Amstelkerk Amsterdam Leeuwenbergh Utrecht |
|
|
|
|
Felix Mendelssohn Bartholdy werd op 3 februari 1809 geboren. In 1829 maakte Mendelssohn samen met zijn vriend Karl Klingemann, amateur-dichter en musicus een reis naar de Schotse hooglanden. Zoals meer toeristen deden in het begin van de negentiende eeuw, bezochten ook Mendelssohn en Klingemann het Hebriden-eiland Staffa. Aan de kust bevinden zich in deze basaltformaties bovendien verschillende grotten, waaronder de 'Fingal's Cave'. Deze laatste grot maakte zoveel indruk op Mendelssohn, dat hij, ondanks het feit dat hij erg zeeziek was, meteen aan het componeren sloeg en een brief naar huis schreef met daarin de openingsmaten van de ouverture 'Die Hebriden'. In deze openingsmaten, die meteen ook het leidmotief van de hele ouverture vormen, is duidelijk te horen hoe de golven tegen de rotsen beuken. Na een melodisch tweede thema, geïntroduceerd door de celli, horen we een fanfareachtig thema, dat later, als een soort echo, een aantal malen terugkeert. Tenslotte eindigt de ouverture tamelijk abrupt, alsof de zee plotseling tot rust is gekomen. Zowel Richard Wagner die Mendelssohn na het horen van deze ouverture een 'eersteklas landschapschilder' noemde als Johannes Brahms waren erg enthousiast van dit werk. Zo verklaarde Brahms: 'Ik zou graag alles opgeven wat ik ooit gecomponeerd heb, om één stuk als Mendelssohns Hebriden-ouverture te schrijven. (Jonathan Huizer )
Bethold Goldschmidt (1903-1996) moest in 1933 Duitsland verlaten. Na de oorlog werkte hij in Engeland o.m. voor de BBC. In deze periode componeerde hij 3 soloconcerten. Voor viool, voor cello en voor klarinet. Het werk is gecomponeerd voor Gervase de Peyer, soloclarinettist van het London Symphony Orchestra. Goldschmidt exploreert de karakteristieken van het instrument: de lyrische charme, rijk en warm in het lage register, intens in de hoge ligging.
Ervin Schulhoff (1894-1942) werd in Praag geboren. Hij stierf in 1942 in gevangenschap aan tbc. De 2e symfonie werd voor de Praagse omroep gecomponeerd en in 1935 voor het eerst uitgevoerd. Het is een korte symfonie in 4 delen. In het begin lijkt het neoklassieke vooruit willende 'motorische' muziek. Ook in het tweede deel en in het finale rondo is de Weense klassieke school te herkennen. Het 3e deel, 'scherzo alla jazz' is een miniatuur, gestileerde jazz met een groteske en wonderlijke uitdrukking.