|
Dominicuskerk Amsterdam Geertekerk Utrecht |
|
||
|
|
|
Het oratorium "De jaargetijden" van Joseph Haydn ontstond tussen 1799 en 1801 op basis van een tekst van Gottfried van Swieten. Het dichterlijk ontwerp hiervoor was het werk "The Seasons" van James Thomson. Als uitgangspunt voor Die Jahreszeiten had Van Swieten een populair gedicht van James Thomson gekozen waarin de seizoenen en het dagelijkse leven op het platteland werden beschreven. Al snel realiseerde de baron zich dat hij aan het gedicht niet genoeg had, want er kwamen geen personen in voor. En voor een oratorium zijn solisten nodig, want een oratorium zonder solisten is als een film zonder hoofdrolspelers. Daarom bedacht Van Swieten drie personages: Simon, (een boer) Hanne (zijn dochter) en Lucas (haar geliefde), die hij handig door het gedicht heen vlocht. Het was een knap geschreven, levendige tekst, maar toch vond Haydn het moeilijk er muziek bij te bedenken. Dat kwam gedeeltelijk door de baron. Van Swieten had nogal een hoge pet op van zichzelf, en meende zich voortdurend te moeten bemoeien met Haydns muzikale aandeel. De componist ergerde zich daar mateloos aan, lag regelmatig met de betweterige baron in de clinch, en raakte behoorlijk overspannen. Maar het was niet alleen het gedrag van de baron waar Haydn moeite mee had. Ook diens tekst stond hem tegen. Haydn was zelf op het platteland opgegroeid, en hij vond de manier waarop het boerenleven werd geïdealiseerd ronduit belachelijk. Tegenover vrienden beklaagde hij zich bitter over het verhaal. Rotzooi, noemde hij het. Aan de muziek is dit niet te horen. Integendeel, Die Jahreszeiten klinkt juist heel fris, geïnspireerd en origineel. Het werk bestaat uit vier delen, Lente, Zomer, Herst en Winter.
De lente, met een onstuimige instrumentale inleiding begint: de overgang van de winter naar het voorjaar. Daarna bezingen het koor en de drie solisten om beurten de schoonheid van de lente.
De zomer begint met ochtendnevels, hanengekraai en een schitterende zonsopgang. Maar dit seizoen heeft ook een keerzijde: de drukkende hitte. De natuur houdt hoorbaar de adem in. Dan barst het onweerskoor los. Langzaam trekt het natuurgeweld weg, en de rust keert weer met kikkergekwaak en het kleppen van het avondklokje.
De herfst is de tijd van de jacht. De hoorns schallen, de honden sluipen, het wild vlucht en schoten knallen. Hanne en Lucas verklaren elkaar de liefde in een prachtig duet. De herfst is ook het seizoen waarin de wijn wordt gemaakt: "Juchhe, der Wein ist da" jubelt het koor. Na alle uitbundigheid slaat de stemming om en begint
De winter. De nevel aan het begin van dit deel bezorgt je koude rillingen. Maar de winter is ook de tijd voor gezelligheid bij het haardvuur, het snorren van het spinnewiel en diepere gedachten, zoals mijmeringen over de zin van het leven.